Mezenonderzoek Zwin Natuur Park

Het Zwin Natuur Park startte in 2020 in samenwerking met de onderzoeksgroep Evolutionaire Ecologie van de Universiteit Antwerpen met een onderzoek naar het broedgedrag van koolmezen en pimpelmezen in het Zwin. De onderzoeksgroep verzamelt als sinds 1964 gedetailleerde gegevens over het broedgedrag en broedsucces van beide mezensoorten, in verschillende onderzoeksgebieden in Vlaanderen. Nu is het Zwin Natuur Park toegevoegd als onderzoeksgebied.

33 nestkasten

Het onderzoek wordt gevoerd met behulp van een aantal nestkasten die gelijkmatig verspreid zijn opgehangen in het Zwin Natuur Park, 33 in totaal. Eén derde van de kasten hebben een verkleinde opening, waardoor ze alleen voor pimpelmezen en niet voor koolmezen toegankelijk zijn.

De kasten worden in de loop van het broedseizoen regelmatig gecontroleerd. De controles verstoren het broedgedrag niet wezenlijk en ze zijn nodig om een aantal vaststellingen, zoals het begin van de eileg, op gestandaardiseerde wijze te kunnen uitvoeren. Zowel de oudervogels als de jonge mezen worden geringd met een genummerde metalen ring en met kleurringen.

Belang van lange-termijnonderzoek

Lange-termijnonderzoek zoals dit is belangrijk om processen in de natuur te kunnen opvolgen. Het resultaat kan ons heel veel leren over de staat en de evolutie van onze natuurlijke omgeving. Zo leerde onderzoek nabij Antwerpen dat de start van de eileg bij mezen in het begin van de 21ste eeuw gemiddeld ongeveer twee weken vroeger valt dan in de jaren ’80 van de vorige eeuw. Die opvallende verandering is te verklaren door de warmere voorjaarstemperaturen. Daardoor komen de bomen vroeger in blad, en verschijnen ook de rupsen van bepaalde nachtvlindersoorten vroeger in de lente. Die rupsen zijn het hoofdvoedsel waarmee mezen hun jongen voeren.

Het rupsenaanbod is zo belangrijk dat mezen hun broedcyclus afstemmen op de piekaantallen rupsen. Tot dusver slagen de mezen erin om de klimaatopwarming bij te benen, en zijn het broedsucces en de aantallen niet afgenomen.

15 kasten bezet door koolmezen, 5 door pimpelmezen

Tijdens onderzoek werden in totaal in 20 van de 33 nestkasten nesten van mezen aangetroffen.

  • Koolmezen:
    In 15 kasten ging het om koolmezen: 12 kasten werden gebruikt voor een eerste broedsel en nog eens 3 voor een tweede broedsel. In twee van de 12 kasten die voor een eerste broedsel werden gebruikt, werd vervolgens nog een tweede keer gebroed door koolmezen.
    Koolmezen kunnen twee keer in hetzelfde broedseizoen tot broeden komen. Soms doen ze dat in dezelfde broedplaats als het eerste broedsel, soms in een nieuwe broedplaats. Dat konden we in het Zwin Natuur Park meteen vaststellen. Sommige van de broedparen die een tweede broedsel aanvatten in een nieuwe nestkast, hadden hun eerste broedsel mogelijk al in een andere nestkast grootgebracht. Om die reden wordt er veiligheidshalve van uitgegaan dat 12 paar koolmezen dit jaar in de nestkasten gebroed hebben.
  • Pimpelmezen:
    Bij pimpelmezen is het wat eenvoudiger. Die broeden maar één keer per jaar. Er werden vijf nestkasten bezet door pimpelmezen.

Hoog slaagpercentage broedsels

De gemiddelde datum waarop het eerste ei werd gelegd was zowel bij koolmees als pimpelmees 10 april. Van de 18 gestarte broedsels van koolmezen, slaagden er 14 (77%). De drie andere broedgevallen mislukten toen er nog eieren of jongen in het net zaten. De vijf gestarte broedgevallen van pimpelmezen waren succesvoller: die slaagden allemaal (slaagpercentage van 100%).

Totaal 160 mezen geringd

Een ander onderdeel van het onderzoek was het ringen van jonge mezen in het nest. Er werden in totaal 160 jonge mezen geringd: 115 koolmezen en 45 pimpelmezen. Op één na vlogen alle jonge pimpelmezen uit, maar bij de koolmezen was er meer uitval voor de jongen uiteindelijk het nest verlieten. Bij de pimpelmezen vlogen gemiddeld 9 jongen per nest uit, maar bij de koolmezen lag dat aantal duidelijk lager met 5,9 uitgevlogen jongen per nest. Dat verschil is voor een deel te verklaren doordat in de nesten van koolmezen naar verhouding meer eieren niet uitkwamen. Het gemiddeld aantal eieren per nest bedroeg immers 9,8 per nest bij pimpelmees en 8,25 bij koolmees.

Naast de wetenschappelijke ring, ook een kleurring

Behalve een wetenschappelijke ring, kreeg elke jonge mees ook een kleurring. De tekens op de wetenschappelijke ring zijn zo klein dat ze alleen kunnen worden afgelezen als men de vogel in de hand heeft. Kleurringen kunnen echter ook in het veld worden afgelezen, met behulp van een verrekijker.

De kleur en positie van die kleurring is uniek voor elke nestkast die in het park hangt. Je kan dus van elke jonge mees weten in welke kast ze geboren is. Sinds het uitvliegen van de jongen mezen waren er in het Zwin Natuur Park al heel wat waarnemingen van gekleurringde mezen. Die waarnemingen leveren interessante informatie op over bewegingen van onze jonge mezen. Het heeft daarnaast ook een leuke bijkomende educatieve waarde omdat het bezoekers van het Park in contact brengt met wetenschappelijk onderzoek én het hen de kans geeft om via het doorgeven van hun waarnemingen een steentje bij te dragen aan dergelijk onderzoek.

Samenvatting onderzoek 2020

  Koolmezen Pimpelmezen
Aantal bezette kasten 15 5
Aantal broedparen 12 5
Gemiddeld aantal eieren per nest 8,25 9,8
Slaagpercentage broedsels 77% 100%
Aantal geringde vogels 115 45
Gemiddeld aantal uitgevlogen jongen per nest 5,9 9

De volgende jaren wordt dit onderzoek verder gezet.